Selecteer een pagina

Eerst maken ze Robert Atkins, auteur van de grootste bestseller ooit (Dr. Atkins’ Dieetrevolutie en Dr. Atkins’ Nieuwe Dieetrevolutie) 30 jaar lang belachelijk en beschuldigen hem van kwakzalverij en bedrog, om dan te ontdekken dat Dr. Atkins aldoor gelijk heeft gehad.

Of misschien was het dít wel: zij ontdekken dat hun eigen voedingsvoorschriften – ‘eet minder vet en meer koolhydraten’ – de oorzaak zijn van de voortwoekerende zwaarlijvigheids-epidemie in Amerika. Of, wie weet, ontdekken ze dat béide bovengenoemde stellingen waar zijn.

Toen Atkins voor het eerst zijn “Dieet Revolutie” publiceerde in 1972, begonnen Amerikanen net te wennen aan het idee dat vet – voornamelijk de verzadigde vetten uit vlees en melkproducten – het voornaamste voedings-spook was van het Amerikaanse dieet.

Het lukte Atkins miljoenen boeken te verkopen. Hij beloofde dat we konden afvallen door het eten van biefstuk, eieren en roomboter, zo véél als we maar wilden. Want het zijn de koolhydraten, de pasta, rijst, broodjes en suiker, die de zwaarlijvigheid en zelfs hart- en vaatziekten veroorzaken. Vet, zei hij, was onschadelijk.

Atkins stond zijn lezers toe om, zoals hij het stelde “ongelimiteerd echt luxueus voedsel” te eten: “kreeft met botersaus, biefstuk met bearnaisesaus, bacon cheeseburgers.” Hij stond echter géén zetmeel of geraffineerde koolhydraten toe. Dus: geen suikers of voedsel vervaardigd van meel. Atkins verbood zelfs vruchtensappen, en accepteerde slechts een minimum aan groenten, hoewel de groenten steeds meer bespreekbaar werden hoe langer het dieet voortduurde.

Atkins was zeer zeker niet de eerste, die rijk werd door het promoten van een vetrijk dieet, dat koolhydraten beperkte. Maar hij maakte het dusdanig populair dat de American Medical Association het als een potentiële dreiging beschouwde voor onze gezondheid. De A.M.A. viel het Atkins-dieet aan als een “bizar dieet” dat “een ongelimiteerde inname van verzadigde vetten en cholesterolrijk voedsel” adverteerde. Atkins moest zijn dieet zelfs in zittingen van het Amerikaanse Congres verdedigen.

Polarisatie over oorzaak overgewicht

Dertig jaar later, is Amerika griezelig gepolariseerd geraakt op het gebied van lichaamsgewicht. Enerzijds is ons met bijna religieuze zekerheid verzekerd door iedereen, vanaf de hartchirug tot de huisarts – en wij zijn dat dan ook met een bijna religieuze zekerheid gaan geloven – dat overgewicht wordt veroorzaakt door overmatige consumptie van vet, en dat we, wanneer we minder vet eten, zullen afvallen en langer leven.

Anderzijds hebben we de nooit-aflatende boodschap van Atkins en tientallen jaren van bestseller-dieetboeken, o.a. “The Zone”, “Sugar Busters” en “Protein Power” om er maar een paar te noemen. Allen ‘pluggen’ de één of andere variatie van wat geleerden noemen de alternatieve hypothese: het is niet het vet dat ons dik maakt, maar het zijn de koolhydraten. Als wij maar minder koolhydraten eten, zullen we afvallen en langer leven.

Het revolutionaire van deze alternatieve hypothese is, dat het precies dié geraffineerde koolhydraten als oorzaak van overgewicht aanwijst, die aan de basis staan van de ‘Schijf van Vijf’ – pasta’s, rijst en brood -. Daarvan is ons altijd verteld dat ze de basis vormen van een gezond, vetarm dieet. En verder de suiker of maissiroop in de limonades, vruchtensappen en sport-drankjes, die wij in grote hoeveelheden tot ons zijn gaan nemen, om de simpele reden dat ze vet-vrij zijn en dus goed voor de gezondheid líjken.

Het minder-vet-is-gezond dogma vertegenwoordigt de werkelijkheid zoals wij die hebben leren kennen. En de overheid heeft honderden miljoenen dollars uitgegeven om de waarde daarvan de bewijzen. Ondertussen is de boodschap om koolhydraat-arm te eten verwezen naar het rijk van de onwetenschappelijke fantasie.

Meer aandacht voor low carb bij wetenschappers

Gedurende de afgelopen vijf jaar heeft er echter een subtiele verschuiving plaatsgevonden in de wetenschappelijke consensus. Het is lange tijd zo geweest, dat zelfs het overwégen van de mogelijkheid van de alternatieve hypothese, laat staan het onderzoeken ervan, gelijk stond aan kwakzalverij of medeplichtigheid daaraan.

Een kleine, maar groeiende groep van gevestigde wetenschappers begint nu serieus in overweging te nemen, wat de low-carb-diet onderzoekers al lang verkondigen. Walter Willett, voorzitter van de afdeling voedingsstoffen aan de Harvard School of Public Health, is waarschijnlijk de meest uitgesproken voorstander van het testen van deze ketterse theorie. Willet is de spreekbuis van de langstlopende, meest veelomvattende dieet- en gezondheidsstudies die ooit zijn uitgevoerd, al meer dan $100 miljoen hebben gekost en gegevens hebben verzameld van bijna 300.000 personen.

Deze gegevens, zegt Willett, weerspreken duidelijk de minder-vet-is-gezond boodschap “alsmede het idee dat alle vet slecht voor je is; de uitsluitende gerichtheid op nadelige gevolgen van vet kan mogelijkerwijs hebben bijgedragen tot de zwaarlijvigheids-epidemie.”

Deze onderzoekers benadrukken dat er voldoende reden is om aan te nemen dat de minder-vet-is-gezond-theorie de tand des tijds niet heeft doorstaan. In het bijzonder, dat wij ons middenin een zwaarlijvigheids-epidemie bevinden die begon in de vroege 80-er jaren en die samenviel met de opkomst van het vet-arm dogma. (Type II diabetes, de meest verspreide vorm van deze ziekte, steeg gedurende deze periode ook significant).

Low fat hopeloos mislukt

Ze zeggen dat vet-arme diëten in klinische onderzoeken én in het werkelijke leven, zichzelf als hopeloze mislukkingen hebben bewezen. En daarenboven dat het percentage van vet in het Amerikaanse dieet al ruim twee decennia dalende is. Onze cholesterol-waarden zijn gedaald en we zijn minder gaan roken, en nog stééds is het vóórkomen van hartziekten niet gedaald zoals we zouden moeten kunnen verwachten. “Dat is zeer verontrustend,” zegt Willett. “Het suggereert dat er iets anders aan de hand is wat slecht is voor ons”.

De wetenschap áchter de alternatieve hypothese wordt Endocrinologie 101 genoemd, zoals dat gedaan is door David Ludwig, een onderzoeker aan de Harvard Medical School, die de kinderkliniek, gespecialiseerd in zwaarlijvigheid, leidt aan de Children’s Hospital in Boston, en die zijn eigen versie van een koolhydraat-arm dieet voorschrijft aan zijn patiënten.

Endocrinologie 101 vereist kennis van de wijze waarop koolhydraten invloed hebben op insuline en bloedsuikers en op hun beurt op vetmetabolisme en eetlust. Dit is de basis van de endocrinologie: de studie van de hormonen (zoals insuline), zegt Ludwig. En het wordt nog steeds als radicaal beschouwd omdat de kennis van het vetarme dieet in de 60er jaren afkomstig was van onderzoekers die zich vrijwel uitsluitend bezighielden met de uitwerking van vet op cholesterol en hartkwalen.

Toentertijd was Endocrinologie 101 nog onderontwikkeld en werd dus genegeerd. Nu deze wetenschap vorderingen maakt, moet het een kwarteeuw anti-vet-vooroordelen bevechten.

De alternatieve hypothese komt met een resultaat dat de moeite van het overwegen waard is, omdat het een ‘knaller’ is, en dat kan wellicht een struikelblok vormen voor de acceptatie ervan.

Indien de alternatieve hypothese juist is – – nog steeds een groot ‘indien’ – – dan suggereert het in hoge mate dat de voortdurende epidemie van zwaarlijvigheid in Amerika en elders, niet, zoals wij doorlopend te horen krijgen, simpelweg een gevolg is van een collectief gebrek aan wilskracht en het nalaten van lichamelijke oefeningen.

Het ontstond echter, zoals Atkins aldoor beweerde (samen met Barry Sears, schrijver van “The Zone”), omdat de deskundigen bij de overheid op gezondheidsgebied met de beste bedoelingen, ons adviseerden precies dié voedingsmiddelen te nuttigen, die ons dik maken, en die raad volgden wij op. Wij aten méér vetvrije koolhydraten, die ons op hun beurt eerst hongeriger maakten en daarna zwaarder.

Simpelweg gezegd, als de alternatieve hypothese klopt, dan is het vetarme dieet niet per definitie een gezond dieet. In de praktijk kan zo’n dieet niet anders dan koolhydraatrijk zijn, hetgeen tot zwaarlijvigheid kan leiden, wellicht zelfs tot hartkwalen.

“Voor een groot deel van de bevolking, wellicht 30 tot 40%, zijn vetarme diëten contraproductief”, zegt Eleftheria Maratos-Flier, directeur van zwaarlijvigheids-onderzoek aan Harvard’s prestigieuze Joslin Diabetes Center. “Ze hebben het paradoxale effect dat zij mensen zwaarder laten worden”.

Wetenschappelijk onderzoek niet eenvoudig

Wetenschappers kibbelen nog steeds over vet, ondanks een eeuw van onderzoek, omdat de regulatie van eetlust en gewicht in het menselijk lichaam bijna onbegrijpelijk complex blijkt te zijn en de experimentele gereedschappen die wij hebben om het te bestuderen nog opmerkelijk inadequaat zijn. Deze combinatie brengt onderzoekers in een onaangename positie. Het gehele fysiologische systeem onderzoeken, behelst het gedurende maanden of jaren achtereen voeren van echt voedsel aan echte menselijke proefpersonen, hetgeen te duur is om uit te voeren, ethisch niet verantwoord (als je de mate van invloed wilt meten van voedingsmiddelen die wellicht hartkwalen kunnen veroorzaken) en vrijwel onmogelijk uitvoerbaar op welke wetenschappelijk gecontroleerde manier dan ook.

Maar als onderzoekers een minder kostbare en beter controleerbare studie willen uitvoeren, resulteert dat in de studie van experimentele situaties, die zó óver-vereenvoudigd zijn dat hun resultaten wellicht niets meer met de werkelijkheid te maken hebben.

Dit leidt op zijn beurt weer tot een onderzoeksliteratuur, die zo uitgebreid is dat men altijd wel één of ander gepubliceerd onderzoek kan vinden, om welke theorie dan ook te staven. Het gevolg is een tegenstribbelende gemeenschap – – “versplinterd, met een onbuigzame opinie en in vele gevallen wars van elk compromis”, zegt Kurt Isselbacher, voormalig voorzitter van de Food and Nutrition Board van de National Academy of Science. Daarin lijken onderzoekers er snel van overtuigend te zijn, dat hun vooropgezette ideeën correct zijn. En ze zijn volkomen ongeïnteresseerd in het onderzoeken van elke andere hypothese dan die van henzelf.

Overigens, het aantal misvattingen die verspreid worden over de meest elementaire research is schrikbarend.

Onderzoekers kunnen keurig wetenschappelijk de beperkingen van hun eigen experimenten omschrijven, om daarna iets als de absolute waarheid te verkondigen omdat ze het in een tijdschrift hebben gelezen. Het klassieke voorbeeld is de bewering die herhaaldelijk wordt gehoord, dat 95 procent van alle diëters nooit afvallen, en dat 95 procent van diegenen die dat wél doen, wat ze afgevallen zijn er zo weer bij hebben.

Dit wordt terecht toegewezen aan psychiater Albert Stunkard van de University of Pennsylvania, maar de vermelding dat deze uitlating is gebaseerd op 100 patiënten van Stunkard’s zwaarlijvigheids-kliniek tijdens de regering Eisenhower (1945-1949) blijft achterwege.

Onder voorbehoud kan gezegd worden, dat één van de weinige redelijk betrouwbare feiten over de zwaarlijvigheids-epidemie is, dat het begon rond de vroege 80-er jaren. Volgens Katherine Flegal, een epidemioloog aan de National Center for Health Statistics, bleef het percentage van Amerikanen met zwaarlijvigheid door de 60-er en 70-er jaren relatief constant op 13 tot 14 procent en schoot toen in de 80-er jaren met 8 procent omhoog. Tegen het einde van dat decennium, was bijna 1 op 4 Amerikanen zwaarlijvig.

Die scherpe stijging, die heerste in alle lagen van de Amerikaanse bevolking en ongecontroleerd voortduurde tijdens de 90-er jaren, is het bijzondere kenmerk van de epidemie. Elke theorie die zwaarlijvigheid in Amerika wil verklaren, zal daarvan rekenschap moeten geven. Intussen is het aantal te dikke kinderen bijna verdrievoudigd. En voor het eerst begonnen artsen Diabetes Type II bij opgroeiende kinderen te constateren. Type II Diabetes gaat vaak gepaard met zwaarlijvigheid. Het werd vroeger vroeg-volwassenen-diabetes genoemd en nu, om verklaarbare redenen niet meer.

Toename zwaarlijvigheid. Hoe kon dit gebeuren?

De orthodoxe en algemeen aanvaarde verklaring is dat wij leven in wat Kelly Brownell, een Yale psycholoog, eens noemde een “giftig voedsel omgeving” van goedkoop, vet voedsel, grote porties, indringende voedsel-reclame en een zittend leven. Volgens deze theorie, leven wij bij de Pavlov-achtige gratie van de voedingsindustrie, die bijna $ 10 miljard per jaar besteedt aan de reclame voor ongezonde junkfood en fastfood.

En omdat deze voedingsmiddelen, vooral fastfood, zo vol zitten met vet, zijn zij zowel onweerstaanbaar als buitengewoon dikmakend.

Volgens deze theorie heeft onze moderne samenleving daarboven op succesvolle wijze de fysieke inspanning uit ons dagelijks leven verbannen. Wij trainen niet meer en lopen geen trappen meer, noch gaan onze kinderen op de fiets naar school, of spelen zij buiten, omdat zij er de voorkeur aan geven video-spelletjes te doen en TV te kijken.

En omdat sommigen van ons klaarblijkelijk veroordeeld zijn zwaarder te worden, terwijl anderen dat niet zijn, heeft deze verklaring ook een genetische component – – de zuinigheids-gen. Het suggereert dat het opslaan als vet van extra calorieën, een evolutionair voordeel was voor onze Paleolithische voorouders, die veelvuldige hongersnoden moesten overleven. Wij hebben dus deze “zuinige” genen geërfd, óndanks hun gevaar in de hedendaagse giftige leefomgeving.

Deze theorie klinkt aannemelijk en speelt in op onze puriteins vooroordeel dat vet, fastfood en televisie buitengewoon schadelijk zijn voor onze mensheid. Maar er zijn 2 valstrikken.

Ten eerste, om dit verhaal te geloven moet men accepteren dat de overvloedige negatieve versterking die zwaarlijvigheid begeleidt – – zowel sociaal als fysiek – – gemakkelijk te overwinnen is door het voortdurende bombardement van voedsel-advertenties en aantrekkingskracht van een overgrote voordelige maaltijd.

Ten tweede, zoals Flegal aangeeft, bestaat er weinig informatie om ook maar iets hiervan te staven. Niets ervan verklaart tenminste wat er zó opmerkelijk veranderd is, om de epidemie te starten. Fastfood-consumptie bijvoorbeeld, groeide gestaag tijdens de 70-er en 80-er jaren, maar het nam geen plotselinge vlucht, zoals zwaarlijvigheid.

Voor wat betreft training en fysieke inspanning, is er geen betrouwbare informatie van vóór de mid-80-er jaren, volgens William Dietz, die de afdeling voor voedingsleer en fysieke activiteit leidt aan de Centers for Disease Control; de gegevens van de 90-er jaren tonen de stijging van de zwaarlijvigheid-ratio, terwijl fysieke activiteit onveranderd bleef. Dit suggereert dat die twee weinig overeenkomst hebben.

Dietz erkent tevens dat een cultuur van fysieke inspanning in de 70-er jaren in de Verenigde Staten begon – – de “bewegen-in-je-vrijetijd-manie”, zoals Robert Levy, directeur van de National Heart, Lung and Blood Institute, het in 1981 omschreef – – en tot op heden voortduurt.

Wat het ‘zuinigheids-gen’ betreft, het biedt het soort evolutionaire ratio voor menselijk gedrag, dat wetenschappers geruststellend vinden, maar dat eenvoudigweg niet kan worden getest. Met andere woorden, als wij nu midden in een anorexia-epidemie zaten, zouden de experts over de evengoed on-testbare ‘verkwistings-gen’ theorie aan het discussiëren zijn, die de evolutionaire voordelen van gemakkelijk gewichtsverlies verkondigt. Een zwaarlijvige homo erectus – zouden zij zeggen – zou een gemakkelijk doelwit zijn geweest voor roofdieren.

Het is tevens onweerlegbaar, beweren studenten van Endocrinologie 101, dat de mensheid nooit is geëvolueerd tot het eten van een dieet dat zetmeel- en suikerrijk is.

Low fat nog maar 25 jaar oud

“Graanprodukten en geconcentreerde suikers waren aanvankelijk níet aanwezig in het menselijke voedsel, tot de uitvinding van de landbouw”, zegt Ludwig, “hetgeen pas 10.000 jaar geleden gebeurde”.

Dit wordt veelvuldig besproken in de anthropologie-teksten, is echter áfwezig in de zwaarlijvigheid-literatuur, met de in het oog springende uitzondering van de ‘Low-Carbohydrate’-dieetboeken.

Wat in de huidige tegenstelling over het hoofd wordt gezien, is dat het vet-arme dogma zélf nog maar zo’n 25 jaar oud is. Tot in de late 70-er jaren was de geaccepteerde wijsheid dat vet en eiwitten beschermen tegen tevéél eten, doordat zij je verzadigen, en dat koolhydraten je dik maken.

In “The Physiology of Taste” b.v. – een verhandeling uit 1825 die beschouwd wordt als één van de meest beroemde boeken die ooit over voedsel werden geschreven – zegt de Franse gastronoom Jean Anthelme Brillat-Savarin dat hij gemakkelijk de oorzaken van zwaarlijvigheid zou kunnen identificeren, na 30 jaar lang naar de één na de andere “gezette persoon” te hebben geluisterd, die de vreugden van brood, rijst en (door een bijzónder gezet persoon) aardappelen.

Brillat-Savarin omschreef de wortels van de zwaarlijvigheid als de natuurlijke aanleg, gecombineerd met de “bloemige en drabbige stoffen die men tot het hoofdingrediënt van de dagelijkse voeding maakt”. Hij voegde toe dat de uitwerking van deze drabbige kost – b.v. “aardappels, graan of elke soort bloem” – zichtbaar werd zodra suiker aan het dieet werd toegevoegd.

Dit is wat mijn moeder mij 40 jaar geleden al leerde, ondersteund door de vage observatie dat Italianen naar corpulentie neigen omdat zij zo veel pasta eten. Deze observatie was zelfs gedocumenteerd door Ancel Keys, een arts van de University of Minnesota, die opmerkte dat vetten “stevig op de maag liggen”. Daarmee bedoelde hij dat zij langzaam verteerd worden en dus een voldaan gevoel geven, en dat Italianen tot de zwaarste bevolkingen hoorden, die hij had bestudeerd.

Volgens Keys, aten de Napolitanen b.v. slechts één á twee maal per week een kleine hoeveelheid mager vlees, maar wel elke dag brood en pasta voor lunch en avondmaaltijd. “Er was geen aantoonbaar bewijs voor ondervoeding”, schreef hij, “maar de vrouwen uit de arbeidersklasse waren dik”.

In de 70-er jaren waren nog steeds artikelen te vinden in de kranten, die hoge mate van zwaarlijvigheid beschreven in Afrika en het Caraïbisch gebied, waar de voeding bijna uitsluitend uit koolhydraten bestond. De algemene opvatting, schreef een voormalige direkteur van de Voedsel Afdeling van de Verenigde Naties, was dat het ideale dieet – een die zwaarlijvigheid, ‘snacking’ en overvloedige suikerconsumptie voorkwam – er eentje was met “voldoende eieren, rundvlees, schapevlees, kip, boter en goed-gekookte groenten”. Dit was identiek aan het voorschrift wat Brillat-Savarin in 1825 aangaf.

Invloed van de politiek op low fat

Het was notabene Ancel Keys, die in de 50-er jaren het minder-vet-is-gezond dogma introduceerde, met zijn theorie dat voedingsvetten het cholesterol-gehalte doen stijgen en hartkwalen veroorzaken. Over de daaropvolgende twee decennia bleef het wetenschappelijke bewijs dat deze theorie staafde, echter hardnekkig dubbelzinnig.

De zaak werd uiteindelijk niet door nieuwe ontdekkingen beklonken, maar door politiek. Het begon in Januari 1977, toen een commissie van de Senaat, geleid door George McGovern, zijn “Dieet-voorschriften voor de Verenigde Staten” publiceerde, met het advies dat Amerikanen hun vet-inname drastisch omlaagbrengen om een epidemie van “dodelijke ziektes”, die klaarblijkelijk het land teisterden, een halt toe te roepen.

Het toppunt kwam eind 1984, toen de National Institutes of Health officieel adviseerden dat alle Amerikanen boven de leeftijd van 2 jaar minder vet moesten eten. Tegen die tijd was vet verworden tot “die vette moordenaar” om in de gedenkwaardige woorden van de Center for Science in the Public Interest te spreken. En het historische Amerikaanse ontbijt van eieren en bacon was al ver op weg een kom corn flakes met magere melk te worden, met een glas sinaasappelsap en toast (zónder boter) – een dubieus festijn van verfijnde koolhydraten.

In de tussenliggende jaren, spendeerden de N.I.H. meerdere honderden miljoenen dollars in een poging een samenhang te bewijzen tussen het eten van vet en het krijgen van hartkwalen en, in tegenstelling tot wat wij denken, zij slaagden daar niet in. Vijf grote studies brachten geen enkel verband aan het licht. Een zésde echter, die dik over $ 100 miljoen kostte, concludeerde dat het verminderen van de cholesterol d.m.v. medicijnen hartkwalen kon voorkomen. Toen sprongen de N.I.H.-administrators in het diepe.

Basis Rifkind, die de relevante onderzoeken voor de N.I.H. controleerde, omschreef hun logica als volgt: het was hen niet gelukt – na hieraan grote sommen geld te hebben uitgegeven – te bewijzen dat het eten van minder vet ook maar enig voordeel voor de gezondheid opleverde. Maar als een cholesterol-verlagend medicijn hartkwalen kon voorkomen, dan zou een vet-arm, cholesterol-verlagend dieet hetzelfde resultaat moeten opleveren. “De wereld is nu eenmaal niet volmaakt, vertelde Rifkind mij. “De gegevens die definitief uitsluitsel geven zijn niet verkrijgbaar, dus moeten wij ons best doen met wat wél beschikbaar is”.

Opkomend verzet tegen low fat

Sommige van de beste wetenschappers waren het met deze vet-arme logica niet eens, beweerden dat een degelijke wetenschap onverenigbaar was met een dergelijke sprong in het duister, maar zij werden deskundig genegeerd. Pete Ahrens, wiens Rockefeller University laboratorium de oorspronkelijke research van cholesterol-metabolisme had gedaan, verklaarde voor de commissie van McGovern dat ieder mens ánders reageert op een vet-arm dieet. Het was niet de vraag wie er wél of niét door geschaad zou kunnen worden, zei hij, maar “een gok”. Phil Handler, toen president van de National Academy of Sciences, verklaarde hetzelfde in het Congres in 1980.

“Welk recht”, vroeg Handler, “heeft de federale overheid, voor te stellen dat de Amerikaanse bevolking een reusachtig voedings-experiment uitvoert, met henzelf als object, gebaseerd op zó weinig bewijs dat het hen enig góed zal doen?”.

Invloed van de voedingsindustrie op low fat

Desalniettemin, nu de N.I.H. zich had verklaard vóór de vet-arme doctrine, nam de voedingsindustrie het over. Zij begon snel met het produceren van duizenden vet-arme produkten om aan de nieuwe aanbevelingen tegemoet te komen. Vet werd verwijderd uit voedsel, zoals koekjes, chips en yoghurt. Het probleem was, dat er iets ánders voor in de plaats moest komen, wat smaakvol en aantrekkelijk was, hetgeen de één of andere vorm van suiker betekende, vaak fructose-rijke maïs-siroop.

Intussen ontstond een gehele industrie voor het vervaardigen van vet-vervangers, waarvan Procter & Gamble’s …olestra de eerste was. En omdat deze vetarme vlezen, kazen, snacks en koekjes moesten wedijveren met een paar honderdduizend ándere voedselprodukten die in Amerika verkocht worden, investeerde de industrie aanzienlijke reclame-gelden om de minder-vet-is-gezond boodschap te versterken.

Een grote hulp hierbij bood, wat Walter Willett noemt, de “enorme hoeveelheden” diëtisten, gezondheidsorganisaties, consumenten-groepen en zelfs de schrijvers van kookboeken, allemaal goedbedoelende missionarissen van gezond eten.

Low fat verhaal te simpel

Weinig experts ontkennen nog dat de vetarm-boodschap véél te simpel wordt voorgesteld. Op zijn minst, negeert het zéér effectief het feit dat onverzadigde vetten, zoals olijfolie, relatief gezond voor je zijn: zij neigen ertoe het goede cholesterol (HDL) te verhogen en het slechte cholesterol (LDL) te verlagen, althans, in verhouding tot het effect van koolhydraten. Terwijl een hoger LDL-gehalte het gevaar op hartkwalen verhoogt, wordt het verláágd door een hoger HDL-gehalte.

Wat dat betekent, is dat zelfs verzadigde vetten – alias de ‘slechte’ vetten –nog niet hálf zo schadelijk zijn als wij denken. Inderdaad, zij verhogen je cholesterol-gehalte, maar zij zullen tegelijkertijd het ‘goede’ cholesterol-gehalte verhogen. M.a.w., het is om het even. Zoals Willet mij uitlegde, zal je weinig of geen verbetering van de gezondheid bereiken door het laten staan van melk, boter en kaas, om daarvoor in de plaats bagles te eten.

Maar het wordt nóg gekker. Voedingsstoffen die min of meer dodelijk werden beschouwd onder het vetarm-dogma, blijken verhoudingsgewijs goedaardig te zijn als je kijkt naar hun actuele vet-inhoud. Meer dan 2/3 van het vet in b.v. een Porterhouse Steak, zal je cholesterol-profiel absoluut verbeteren (ten minste, in verhouding tot de gebakken aardappel die er naast ligt); het klopt dat het restant de LDL – het slechte spul – zal doen stijgen, maar het zal tevens je HDL omhoogbrengen. Hetzelfde geldt voor varkensvet. Als je het cijferwerk doet, kom je tot de surrealistische conclusie dat je varkensvet zó uit de verpakking kan eten, terwijl het je risico op hartkwalen aanzienlijk vermindert.

Het cruciale voorbeeld van de manier waarop de vetarme aanbevelingen werden vereenvoudigd, is de invloed (potentieel levensgevaarlijk overigens) van vetarme diëten op trigliceriden, die de bindende molecules zijn van vet. Tegen het eind van de 60-er jaren, hadden wetenschappers bewezen dat hoge triglyceride-gehalten minstens net zo vaak voorkwamen bij patiënten met hartkwalen, als hoge LDL-cholesterolwaarden. En dat het eten van vetarm, koohydraatrijk voedsel hun triglyceride-gehalte zou doen stijgen, hun HDL-gehalte verlagen en datgene accentueren wat Gerry Reaven , een endicrinoloog aan de Stanford Universiteit, Syndroom X noemt. Dit is een groep van aandoeningen die tot hartkwalen en Type 2 diabetes kunnen leiden.

Eten van low fat en high carb veroorzaakt gezondheidsprobleem

Reaven deed er een jaar over om zijn omgeving ervan te overtuigen dat Syndroom X een legitiem gezondheidsprobleem was. “Soms zouden we wensen dat het gewoon zou verdwijnen omdat niemand er raad mee weet”, zei Robert Silverman, een N.I.H.-onderzoeker, op een N.I.H.-conferentie in 1987. “Hoge eiwitgehalten kunnen slecht zijn voor de nieren. Een hoog vetgehalte is slecht voor het hart. Nu vertelt Reaven ons geen grote koolhydraat-hoeveelheden te gebruiken. We moeten wel iéts eten”.

Zeker, alle betrokkenen bij de samenstelling van de verschillende voedingsadviezen wilden eenvoudig dat Amerikanen minder junkfood aten, hoe je dat dan ook wil definiëren, en meer eten zoals dat in Berkeley California gedaan wordt. Maar wij gingen er niet in mee. In plaats daarvan aten we meer zetmelen en verfijnde koolhydraten, omdat dit, calorie voor calorie, de goedkoopste voedingsmiddelen zijn die de voedingsindustrie kan produceren. En ze kunnen met de meeste winst worden verkocht. Het is ook wat we gráág eten. De persoon – onder de leeftijd van 50 jaar – die niét een koekje of gezoete yoghurt prefereert boven een stronk broccoli, is zeer zeldzaam.

Voedingsindustrie ziet haar kans schoon

“Alle onderzoekers zouden er goed aan doen, zich bewust te worden van de wet van onbedoelde consequenties”, zegt Alan Stone, die directeur was van de McGovern Senaatscommissie. Stone vertelde mij dat hij al een vermoeden had, hoe de voedselindustrie zou reageren op de nieuwe voedingsadviezen, toen de hoorzittingen voor het eerst gehouden werden.

Een econoom nam hem terzijde, zei hij, en gaf hem een lesje in marketing in gezond eten: “Hij zei: creëer een nieuwe markt met een gloednieuw geproduceerd voedsel, geef het een splinternieuwe, chique naam, zet er een groot reclamebudget achter, dan heb je de markt helemaal voor jezelf alleen, en kan je je concurrenten dwingen een inhaalslag te maken. Dat kan je niet met fruit e/o groenten doen. Het is moeilijker verschil te maken tussen een appel en een appel.”

Voedingsdeskundigen speelden ook een rol, omdat zij probeerden de wetenschap de gedachte over te laten nemen, dat koolhydraten het ideale voedingsmiddel zijn. Dat vet negen calorieën per gram telt, tegenover vier voor koolhydraten en eiwitten. was al bijna een eeuw bekend. Het werd over het algemeen als irrelevant beschouwd voor het onderzoek naar de oorzaken van zwaarlijvigheid, Nu werd dus de schijnbaar veilige stelling van de vetarm-aanbevelingen: verminder de belangrijkste bron van calorieën in het dieet en je zult gewicht verliezen.

In 1982, publiceerde J.P. Flatt, een biochemicus aan de Universiteit van Massachusetts, zijn onderzoek, waarin hij aantoonde dat het in een normaal voedingspatroon uiterst zeldzaam is dat het menselijk lichaam koolhydraten omzet in lichaamsvet. Dit werd vervolgens door de media en een groot aantal wetenschappers verkeerd geïnterpreteerd, in dié zin, dat het eten van koolhydraten, zelfs in overmatige hoeveelheden, niet dik kan maken – wat niet het geval is, zegt Flatt.

Maar het misverstand ging een krachtig eigen leven leiden omdat het samenviel met de opvatting dat vet tot zwaarlijvigheid leidt en dat koolhydraten onschuldig zijn.

Met als resultaat dat de belangrijkste ontwikkeling in het Amerikaanse dieet sinds het eind der 70-er jaren, volgens de U.S.D.A. landbouw-econoom Judith Putnam, een vermindering van het percentage van vet-calorieën is geweest en een “zeer verhoogde consumptie van koolhydraten”. Om precies te zijn, de jaarlijkse graan-consumptie is met bijna 30 kilo per persoon toegenomen en calorierijke zoetmiddelen (hoofdzakelijk fructoserijke maissiroop) met 15 kilo.

Tegelijkertijd begonnen we plotseling meer calorieën te consumeren: nu tot 400 meer per dag sinds de regering begon met de aanbeveling van vetarme diëten.

Als deze trends correct zijn, kan de vet-epidemie beslist verklaard worden doordat Amerikanen meer calorieën eten dan ooit tevoren – overbodige calorieën tenslotte, doen ons in gewicht toenemen – en in het bijzonder, meer koolhydraten.

De vraag is waarom?

Het antwoord dat gegeven wordt door Endocrinologie 101 is, dat we eenvoudigweg meer honger hebben dan in de 70-er jaren. En de reden daarvan is fysiologisch, éérder dan psychologisch. In dit geval is de verzadigingsfactor – genegeerd in de jacht op vet en het effect daarvan op cholesterol – de manier waarop koolhydraten de bloedsuiker en insuline beïnvloeden. Feitelijk waren deze aldóór al de aangewezen boosdoeners, waardoor Atkins en de low-carb-dieet dokters er al vroeg bovenop sprongen.

De primaire taak van insuline

Nadat je koolhydraten hebt gegeten, worden ze tot suikermoleculen afgebroken en naar de bloedsomloop getransporteerd. De alvleesklier scheidt dan insuline uit, die de bloedsuiker in de spieren en de lever brengt als brandstof voor de komende uren. Om deze reden hebben koolhydraten een significante uitwerking op insuline, en vet niet. En daar jeugd-diabetes wordt veroorzaakt door een gebrek aan insuline, geloven artsen sinds de 20-er jaren dat het enige probleem dat je met insuline kan hebben, is, dat je er niet genoeg van hebt.

Maar insuline reguleert ook het vet-metabolisme. We kunnen zonder insuline geen lichaamsvet opslaan. Stel je insuline voor als een schakelaar. Als het aan staat, die paar uren na een maaltijd, verbrand je koolhydraten als energie en sla je overtollige calorieën op als vet. Als hij uit staat, nadat de insuline verbruikt is, verbrand je vet als brandstof. Dus als de insuline-spiegel láág is, ga je je eigen vet verbranden, maar niet als die hóóg is.

En nu wordt het dus noodzakelijk gecompliceerd. Hoe dikker je bent, hoe meer insuline je pancreas per maaltijd produceert, en hoe waarschijnlijker het is dat je een z.g. “insuline-resistentie” zal ontwikkelen, wat weer de achterliggende oorzaak is van Syndroom X.

In feite worden je cellen ongevoelig voor de werking van de insuline, en daardoor heb je dus alsmaar grótere hoeveelheden nodig om je bloedsuiker te reguleren. Dus, terwijl je in gewicht toeneemt, maakt insuline het makkelijker om vet op te slaan en moeilijker om het kwijt te raken. Maar de insuline-resistentie op haar beurt, kan het misschien moeilijker maken om vet op te slaan – je gewicht blijft op peil, zoals het hoort. Maar nu zou de insuline-resistentie wellicht je pancreas aanzetten om nóg meer insuline te produceren, het potentiële begin van een vicieuze cirkel dus.

Wat komt er het eerst – de zwaarlijvigheid, het verhoogde insulinegehalte, genoemd ‘hyperinsulinisme’, of de insuline-resistentie – is een kwestie als van de-kip-en-het-ei, dat nog niet is opgelost. Een endocrinoloog omschreef dit tegen mij als “een probleem, waarvan de oplossing de Nobel-prijs verdient”.

Invloed insuline op hongergevoel

Insuline beïnvloedt ook de honger zeer sterk. Met welk doel dat gebeurt is een ander twistpunt. Enerzijds kan insuline indirect honger veroorzaken doordat het je bloedsuikergehalte omlaag brengt. Maar hóe laag moet je bloedsuiker worden voor de honger toeslaat? Dat is nog onopgelost. Intussen werkt insuline in de hersenen om honger te onderdrukken.

De theorie is, zoals die mij uitgelegd werd door Michael Schwartz, een endocrinoloog aan de Universiteit van Washington, dat de mogelijkheid van insuline om eetlust te onderdrukken normaliter haar eigenschap om lichaamsvet te genereren tégenwerkt. Met andere woorden, terwijl je in gewicht toeneemt, maakt je lichaam bij elke maaltijd meer insuline aan, wat op zijn beurt je eetlust zou onderdrukken; je zou minder eten en gewicht verliezen.

Schwartz echter kan zich een simpel mechanisme voorstellen die dit “homeostatische” systeem uit balans brengt: als je hersenen hun gevoeligheid voor insuline verliezen, net zoals je vet en spieren doen, als ze ermee overspoeld worden.

Nu wordt de hogere insulineproductie, die samenhangt met dikker worden, niet meer gecompenseerd door je eetlust te remmen, omdat je hersenen de verhoging van het insulinegehalte niet meer registreren.

Het eindresultaat is een fysiologische toestand, waarbij zwaarlijvigheid een logisch gevolg is, en eentje waarbij de koolhydraten-insuline verhouding een grote rol kan spelen. Schwartz zegt dat hij gelooft dat dit inderdaad gebeurt, maar de wetenschap is nog niet ver genoeg gevorderd om het te bewijzen. “Het is maar een hypothese” zegt hij, “het moet nog verder onderzocht worden”.

David Ludwig, endocrinoloog aan Harvard, zegt dat het het directe effect van insuline op de bloedsuiker is, die het ‘m doet. Hij merkt op dat wanneer diabetici te veel insuline krijgen, hun bloedsuiker keldert en zij razende honger krijgen. Zij komen aan omdat ze meer eten, en bovendien bevordert insuline de vetproductie.

Hetzelfde gebeurt bij proefdieren. Dit, zegt hij, is feitelijk wat er gebeurt als we koolhydraten eten – in het bijzonder suiker en zetmelen zoals aardappelen en rijst, of iets wat van bloem wordt gemaakt, zoals een snee wit brood. Deze zijn in het jargon bekend als hoog-glycemische-index koolhydraten, wat betekent dat zij snel door het bloed worden opgenomen.

Vicieuze cirkel

Het gevolg is een bloedsuiker-piek en binnen enkele minuten een toevloed van insuline. De toevloed van insuline brengt je bloedsuiker omlaag en een paar uur later is je bloedsuiker láger dan het was vóór je at. Zoals Ludwig het uitlegt, denkt je lichaam feitelijk dat de brandstof op is, maar de insuline is nog steeds hoog genoeg om te verhinderen dat je je eigen vet verbrandt. Het resultaat is honger en een verlangen naar méér koolhydraten. Het is een andere vicieuze cirkel, en nóg een situatie die rijp is voor zwaarlijvigheid.

Het glycemisch-index concept en het idee dat zetmelen nog sneller in het bloed kunnen worden opgenomen dan suiker, ontstond in de late 70-er jaren, maar had opnieuw geen invloed op de publieke gezondheidsaanbevelingen, wegens de aanwezige controverses.

Stel je voor: als je het glycemisch-index concept aanvaardde, moest je ook aanvaarden dat de zetmelen, waarvan men veronderstelde dat wij die 6 tot 11 maal daags eten, eenmaal ingeslikt, fysiologisch niet te onderscheiden zijn van suiker. Dit maakte hen aanzienlijk minder gezond. Liever dan deze mogelijkheid te accepteren, lieten de politici suiker en maisstroop ontsnappen aan de smaad die vetten ten beurt viel. Tenslotte zijn ze vet-vrij…

Suiker en maisstroop in limonades, sappen en de copieuze maaltijden en sportdrankjes leveren nu meer de 10 procent van onze totale calorie-inname.

In de 80-er jaren werden bijvoorbeeld literflessen Coca-Cola geïntroduceerd, tjokvol suiker maar 100 procent vet-vrij. Wat insuline en bloedsuikers betreft, kunnen deze frisdranken en vruchtensappen – geleerden noemen ze ‘natte koolhydraten’ – wel eens het ergste van allemaal zijn. (Light-drankjes beslaan nog minder dan een kwart van de frisdranken-markt).

De strekking van de glycemische-index is, dat hoe langer koolhydraten nodig hebben om verteerd te worden, des te minder de invloed op bloedsuiker en insuline is, en hoe gezonder het voedsel is. De voedingsmiddelen die bovenaan de glycemische index staan, zijn enkelvoudige suikers, zetmelen en alles wat van bloem gemaakt is.

Groene groenten, bonen en volkoren granen veroorzaken een veel langzamere stijging van bloedsuiker omdat zij vezels bevatten, een onverteerbaar koolhydraat. Dat maakt de vertering langzamer en verlaagt de glycemische index. Eiwit en vet hebben dezelfde werking, wat betekent dat het eten van vet gezond kan zijn, een idee dat nog steeds onacceptabel is. En het glycemische-index concept houdt in dat de primaire oorzaak van Syndroom X, hartkwalen, Type 2 diabetes en zwaarlijvigheid de lange termijn beschadiging is die wordt veroorzaakt door herhaalde pieken van insuline die voortkomen uit het nuttigen van zetmelen en geraffineerde koolhydraten. Dit suggereert een min of meer eenduidige theorie voor al deze chronische ziektes, maar niet eentje die makkelijk valt binnen de vet-arme doctrine.

In zijn kliniek voor jongeren met overgewicht heeft Ludwig al vijf jaar laag-glycemische-index diëten voorgeschreven aan kinderen en opgroeiende jeugd. Hij raadt het Atkinsdieet niet aan omdat hij zegt te geloven dat een dusdanig lage-koolhydraten-aanpak onnodig beperkend is; in plaats daarvan raadt hij zijn patiënten aan om feitelijk de geraffineerde koolhydraten en zetmelen te vervangen door groenten en fruit.

Dit wordt een laag_glycemische_index dieet, dat overeenkomt met diëtaire logica, zij het op een meer vetrijke manier.
Zijn kliniek heeft nu een wachtlijst van negen maanden. Pas onlangs is het Ludwig gelukt de N.I.H. te overtuigen dat zulke diëten het bestuderen waard zijn. Zijn eerste drie voorstellen werden afgewezen, wat kan verklaren waarom het meeste van het relevante onderzoek in Canada en in Australië werd verricht.

In April echter, heeft Ludwig $ 1,2 miljoen van de N.I.H. ontvangen om zijn laag-glycemische-index dieet tegenover een vetarm-caloriearm-regime te testen. Dat kan wellicht helpen wat van de controverse over de rol van insuline bij zwaarlijvigheid op te lossen, alhoewel de geduchte Dr Atkins hem misschien wel sneller af is.

Dr. Atkins: eet weinig koolhydraten!

De 71-jarige Atkins, gepromoveerd aan de Cornell medical school, zegt, dat hij voor het eerst in 1963 een zeer koolhydraatarm dieet probeerde, nadat hij erover had gelezen in de Journal of the American Medical Association. Hij viel zonder moeite af, zag het ‘licht’ en maakte van een beginnende cardiologische praktijk in Manhattan een bloeiende obesiteits-kliniek.

Hij joeg vervolgens de gehele medische wereld tegen zich in het harnas, door zijn lezers aan te raden nét zo veel vet en eiwitten te eten als zij wilden, zo lang als zij maar weinig tot geen koolhydraten aten. Zij zouden afvallen, zei hij, omdat ze hun insulinepeil laag hielden; ze zouden geen honger hebben; en ze zouden minder weerstand ondervinden bij het verbranden van hun eigen vet.

Atkins gaf ook aan dat zetmelen en suiker in élk geval schadelijk waren omdat zij het triglyceride-gehalte verhogen. Dit is een groter gevaar voor hartkwalen dan cholesterol.

Atkins’ dieet is zowel de ultieme manifestatie van de alternatieve hypothese, als de arena waarin de vet-versus-koolhydraten controverse in de komende jaren waarschijnlijk zal worden uitgevochten. Na 30 jaar te hebben beweerd dat Atkins een charlatan was, vinden overgewicht-experts het nu moeilijk het veelvuldig en anecdotische bewijs te negeren, dat zijn dieet precies doet wat hij beweerde.

Neem bijvoorbeeld Albert Stunkard, Hij probeert al een halve eeuw zwaarlijvigheid te behandelen, maar hij vertelde me dat bij hem pas onlangs het kwartje viel over Atkins en wellicht ook over overgewicht, toen hij ontdekte dat de hoofd-radioloog in zijn ziekenhuis 60 pond was afgevallen dankzij het Atkins-dieet. “Nou ja, het schijnt dat al de jonge kerels in het ziekenhuis het volgen”, zei hij “dus besloten we een studie te doen”.

Toen ik Stunkard vroeg of hij of een van zijn collega’s dertig jaar geleden hadden overwogen om Atkins’ dieet te testen, zei hij dat dit niet het geval was, omdat ze dachten dat Atkins “een griezel” was, die er alleen maar op uit was om geld te verdienen. “Dit stootte mensen af, en daarom nam niemand hem serieus genoeg om te doen wat we nu eindelijk doen”.

Trouwens, toen de American Medical Association haar vernietigende kritiek op Atkins’ dieet in maart ’73 uitsprak, erkenden zij dat het dieet waarschijnlijk wel zou werken, maar toonden geen enkele belangstelling voor het waarom. Tijdens de 60-er jaren was dit het onderwerp van grondig onderzoek geweest, met de conclusie dat diëten zoals die van Atkins, vermomde laag-calorische diëten waren. Wanneer je pasta, brood en aardappelen uitsluit, wordt het moeilijk om genoeg vlees, groenten en kaas te eten, om die calorieën te vervangen.

Dat roept echter de vraag op, waarom zo’n laag-calorisch dieet ook honger zou onderdrukken, wat – volgens Atkins – het karakteristieke van zijn dieet was. Eén mogelijkheid was Edocrinologie 101: dat vet en eiwitten je verzadigen en dat je, bij gebrek aan koolhydraten en de daaropvolgende schommeling in bloedsuiker en insuline, verzadigd blíjft.

Dr. Atkins: ketose geeft meer energie dan sex!

De andere mogelijkheid kwam voort uit het feit dat Atkins’ dieet ‘ketogeen’ is. Dit betekent dat de insulinespiegel zo laag daalt dat je in een toestand van ketose geraakt, wat ook gebeurt tijdens vasten en hongersnood. Je spieren en vezels verbranden lichaamsvet voor energie, zoals je hersenen doen in de vorm van vetmoleculen – ketonen geheten – die door de lever worden geproduceerd. Atkins zag ketose als de logische manier om gewichtsverlies op gang te brengen.

Hij placht ook te zeggen dat ketose zó veel energie gaf dat het nog beter was dan sex, waarvoor hij nogal eens werd uitgelachen.
Een onvermijdelijke kritiek op Atkins’ dieet was dat ketose gevaarlijk zou zijn en ten koste van alles vermeden diende te worden.

Toen ik ketose-experts interviewde, waren zij het allemaal met Atkins eens, en suggereerden dat de medische wereld en de media ketose aanzien voor ketoacidosis, een variant van ketose die voorkomt bij onbehandelde diabeten en die fataal kan zijn.

“Dokters zijn bang van ketose”, zegt Richard Veech, een N.I.H.-onderzoeker die medicijnen aan Harvard heeft gestudeerd en daarna promoveerde aan de Oxford Universiteit, bij de Nobelprijswinnaar Hans Krebs. “Ze maken zich altijd zorgen over diabetische ketoacidosis. Maar ketose is een normale fysiologische toestand. Ik zou bijna zeggen dat ketose de normale toestand van de mensheid is. Het is niet natuurlijk om een McDonald en een afhaalrestaurant op elke straathoek te hebben. Normáál is om hónger te lijden”.

Simpel gezegd, ketose is het antwoord van de evolutie op het zuinigheids-gen. We zijn dan misschien wel geëvolueerd zodat we vet kunnen opslaan voor tijden van voedselschaarste, zegt Veech, maar we hebben ook ketose geëvolueerd om efficiënt van dat vet te kunnen leven, indien nodig. In plaats dat het vergif is, zoals het door de pers vaak wordt afgeschilderd, laat vet het lichaam efficiënter werken en biedt het een reserve aan brandstof voor de hersenen. Veech noemt ketonen ‘wondermiddelen’ en heeft aangetoond dat zowel het hart als de hersenen 25 procent efficiënter functioneren op ketonen dat op bloedsuiker.

De conclusie is dat Atkins bijna 30 jaar lang volhield dat zijn dieet werkte en veilig was, en blijkbaar tientallen miljoenen Amerikanen het uitprobeerden, terwijl voedingsdeskundigen, artsen, officiële gezondheidsdeskundigen en iedereen die ook maar iets met hartkwalen te maken had, bezwoeren dat het hun dood zou worden, maar weinig of geen aandrang toonden om uit te zoeken wie er nu gelijk had.

Gedurende die periode werd het dieet slechts door twee groepen van Amerikaanse onderzoekers getest, althans slechts twee groepen hebben hun resultaten gepubliceerd.

In de vroege 70-er jaren pionierden J.P. Flatt en Harvard’s George Blackburn met ”protein-sparing modified fast“ (noot van vertaalster: Dit zijn vervangmaaltijden als alternatief voor het totaal vasten. Psmf-diëten bevatten 30 à 40 gram eiwit aangevuld met koolhydraten, vetzuren, mineralen en spoorelementen. Het lichaam wordt hierbij verplicht om de benodigde energie te putten uit de eigen vetreserves. Psmf-diëten zijn enkel aan te raden bij extreem obese patiënten. Ze bewerkstelligen een groot gewichtsverlies op korte termijn, maar brengen geen verandering in het eetgedrag teweeg. Psmf producten zijn vrij verkrijgbaar, maar worden het best onder medisch toezicht gebruikt.)
Ze deden dit om post-operatieve patiënten te behandelen, en zij testten het op zwaarlijvige vrijwilligers.

Blackburn, die later president van de American Society of Clinical Nutrition werd, omschrijft zijn methode als “een Atkins dieet zonder overbodig vet” en zegt dat hij het een chique naam moest geven om serieus genomen te worden.

Het dieet was “mager vlees, vis en gevogelte” aangevuld met vitaminen en mineralen. “De mensen vonden het prachtig”, herinnert Blackburn zich. “Fantastisch gewichtsverlies. De mensen waren niet weg te sláán”. Blackburn behandelde in de volgende 10 jaren met succes honderden zwaarlijvige patiënten en publiceerde een serie artikelen, die genegeerd werden.

Toen in het midden van de 80-er jaren dikke New Englanders eetlust-remmende middelen gingen gebruiken, is hij ermee gestopt. Hij vroeg toen bij de N.I.H. een subsidie aan om een klinische test te doen met populaire diëten, maar het werd afgewezen.

Het tweede onderzoek, dat in September 1980 werd gepubliceerd, werd uitgevoerd aan het George Washington University Medical Center. Twee dozijn zwaarlijvige vrijwilligers stemden ermee in Atkins’ dieet acht weken te volgen en vielen gemiddelde 8 kilo per persoon af, zonder duidelijke nadelen, alhoewel hun LDL-cholesterol wel steeg.

De onderzoekers, geleid door John LaRosa, nu president van de State University of New York Downstate Medical Center in Brooklyn, concludeerden dat het gewichtsverlies van 8 kilo in acht weken waarschijnlijk met elk dieet zou zijn gebeurd, door “de nieuwigheid van iets uitproberen onder experimentele condities” en besteedden er verder geen aandacht aan.

Eindelijk een onderzoek naar het Atkins dieet

Nu hebben onderzoekers eindelijk besloten dat het Atkins dieet en andere koolhydraat-arme diëten onderzocht moeten worden, en doen dat nu tegenover traditionele calorie-arm en vet-arme diëten, zoals aanbevolen door de American Heart Association.

Om hun motivatie te verklaren vertellen ze altijd één van twee verhalen: Sommigen, zoals Stunkard, vertelden me dat iemand die zij kenden – een patiënt, een vriend, een andere arts – aanzienlijk was afgevallen door het Atkins dieet en, ondanks alle vooroordelen die het tegendeel beweerden, niet meer was bijgekomen.

Anderen zeggen dat zij gefrustreerd waren door hun onmacht om zwaarlijvige patiënten te helpen, zich verdiepten in de koolhydraat-arme diëten en vaststelden dat Endocrinologie 101 hen aansprak. “Als arts, was mij geleerd alle diëten zoals die van Atkins te honen”, zegt Linda Stern, een internist aan de Philadelphia Veterans Administration Hospital, “maar ik ben zelf met het dieet begonnen. Het ging fantastisch. En ik dacht dat dit misschien iets was wat ik mijn patiënten kon aanbieden”.

Geen van deze studies zijn door de N.I.H. gefinancieerd, en geen ervan is al gepubliceerd. Maar de resultaten zijn op conferenties bekendgemaakt door onderzoekers aan de Schneider Children’s Hospital op Long Island, Duke University en de University of Cincinnati, en door Stern’s groep aan de Philadelphia V.A. Hospital.

En dan is er nog het onderzoek dat Stunkard noemde, geleid door Gary Foster aan de University of Pennsylvania, Sam Klein, directeur van de Center for Human Nutrition aan Washington University in St.Louis, en Jim Hill, die de University of Colorado Center for Human Nutrition in Denver leidt.

Dieet van dr. Atkins over de hele linie beter dan low fat dieet

De resultaten van alle vijf studies zijn opmerkelijk consistent. Proefpersonen die de een of ander vorm van het Atkins dieet doen – hetzij zwaarlijvige pubers die het dieet 12 weken lang bij Schneider volgden, hetzij zwaarlijvige volwassenen met een gemiddelde van 140 kg, die het dieet zes maanden deden, zoals aan de Philadelphia V.A. – vielen tweemaal zoveel af als de proefpersonen die de vet-arme calorie-arme dieten deden.

In alle vijf studies verbeterden de cholesterolgehalten op dezelfde wijze bij beide diëten, maar het triglyceride-peil was aanzienlijk lager met het Atkins dieet. Hoewel de onderzoekers aarzelen hiermee in te stemmen, zou het suggereren dat het risico op hartkwalen kan worden verminderd als vet weer aan het voedsel wordt toegevoegd en de koolhydraten eruit verwijderd. “Ik denk dat wanneer dit eenmaal erkend wordt”, zegt Stunkard, “dat dit het denken over zwaarlijvigheid en metabolisme flink op zijn kop zal zetten”.

Dit zou allemaal zo snel mogelijk geregeld moeten worden, waarmee we wellicht een paar lang-verwachte antwoorden kunnen krijgen op vragen als: waarom wij dik worden en, of het inderdaad door sociale omstandigheden is voorbeschikt of door onze voedselkeuze.

Voor het eerst financieert de N.I.H. nu zowaar vergelijkende studies van populaire diëten. Foster, Klein en Hill hebben nu bijvoorbeeld meer den $2,5 miljoen van de N.I.H. ontvangen om een 5-jarig-onderzoek te doen naar het Atkins dieet met 360 zwaarlijvige mensen. Aan Harvard, hebben Willett, Blackburn and Penelope Green ook geld ontvangen om een vergelijkend onderzoek te doen, zij het dan van Atkins’ nonprofit stichting.

Mochten deze klinische onderzoeken ook in het voordeel van Atkins en zijn vetrijke, koolhydraatarme dieet uitvallen, dan hebben de volksgezondheid-autoriteiten een probleem.

Toen zij zich 25 jaar geleden in goed vertrouwen uitspraken vóór het vetarme dogma, lieten zij weinig ruimte voor tegenovergestelde bewijzen of een verandering van mening, mocht zo’n verandering noodzakelijk zijn om de wetenschap bij te houden.

In dit licht is de ervaring van Sam Klein opmerkelijk. Klein is toekomstig president van de North American Association for the Study of Obesity (zwaarlijvigheid), hetgeen suggereert dat hij een zeer gerespecteerd lid is van deze organisatie. En tóch omschreef hij zijn recente ervaring tijdens het bespreken van het Atkins dieet tijdens een medische conferentie als een leerrijke ervaring. “Ik ben onder de indruk”, zei hij, “van de onverbloemde toorn van de academici. Hun reactie is: Hoe durft u ook maar gegevens over het Atkins dieet te presenteren!”.

Bij velen nog steeds angst voor vetrijk dieet

Deze vijandige houding komt hoofdzakelijk voort uit de vrees dat Amerikanen, als zij een glimpje hoop opvangen met het oog op hun gewicht, zich en masse op een dieet zouden storten, dat intuïtief gevaarlijk lijkt en waarover er nog steeds geen lange termijn gegevens bestaan over of het wel werkt en of het veilig is. Het is een gerechtvaardigde angst.

In de loop van mijn onderzoek, heb ik ochtendenlang naar mijn bord met roerei en worst zitten kijken, ervan overtuigd dat zij op de één of andere manier wel bezig moesten zijn om mijn aderen te verkalken en mij de das om te doen.

Na 20 jaren doordrenkt te zijn met vet-arm, vind ik het moeilijk de voedingswereld op een andere wijze te bekijken.
Ik heb geleerd dat vetarme diëten falen in klinische onderzoeken en in het echte leven, en ze hebben zéker in mijn leven gefaald. Ik heb de kranten gelezen die suggereren dan 20 jaar van vetarme aanbevelingen er niet toe hebben bijgedragen dat het vóórkomen van hartkwalen in dit land is verminderd, en wellicht inderdaad hebben geleid tot de scherpe stijging van zwaarlijvigheid en Type 2 diabetes.

Ik heb onderzoekers geïnterviewd, wier computers hebben uitgerekend dat het terugbrengen van verzadigde vetten in mijn voeding, tot het peil dat wordt aangeraden door de American Heart Association, niet meer dan een paar maanden aan mijn leven zou toevoegen, als het niet minder is. Ik ben zelfs relatief gemakkelijk aanzienlijk afgevallen door het opgeven van koolhydraten tijdens mijn proef-dieet, en tóch kan ik naar mijn eieren en worst kijken en nog steeds het dreigende gevaar van hartkwalen en overgewicht voelen. Dat laatste wordt vast en zeker veroorzaakt door een of ander bizar fenomeen, dat de wetenschap nog niet heeft weten te omschrijven.

Het feit dat Atkins zelf onlangs last had van zijn hart stelt mij niet gerust, ondanks zijn verzekeringen dat het niet dieet-gerelateerd is.

Dit is de gemoedstoestand waarin ik geloof dat huidige voedingsdeskundigen, onderzoekers en artsen de huidige controverse tegemoet treden. Zij zullen wellicht van mening veranderen maar het bewijs zal buitengewoon overtuigend moeten zijn. Hoewel John Farquhar, professor van gezondheidsonderzoek en –politiek aan de Stanford Universiteit, zo’n bekering ondergaat, en hij werkt al ruim 40 jaar in dit beroep.

Toen ik Farquhar in April interviewde, legde hij uit waarom vetarme diëten naar gewichtstoename kunnen leiden en koolhydraat-arme diëten naar gewichtsverlies kunnen leiden, maar hij liet me beloven niet te zeggen dat hij dat gelóófde.

Hij schreef de oorzaak van de zwaarlijvigheidsepidemie toe aan de “voedingsdwang van een natie”. Drie weken later, na een artikel te hebben gelezen over Endocrinologie 101 door David Ludwig in de Journal of the American Medical Association, stuurde hij mij een emailbericht, met de niet geheel retorische vraag “Kunnen we de vet-arm-voorstanders zover krijgen dat ze zich verontschuldigen?”

Bron: New York Times, 7 July 2002
Oorspronkelijke titel: What If It’s All Been A Big Fat Lie
Auteur: Wetenschapsjournalist Gary Taubes (Vertaling door Guinan)